van moederland naar vaderland


Vaderlandse thema's in opera's

De Koningin van de Nacht, haatdragende heks of wijze moeder?
De vrouw en het vrouwelijke in de Zauberflöte

In de tweede eeuw na Christus beschrijft de hoofdpersoon in de roman ‘de gouden ezel’ genaamd Lucius in detail hoe de grote godin Isis hem in een droom verschijnt en hoe zij tot hem spreekt (naar Apuleius, Metamorphosen, de gouden ezel, XI.5).  Hij beschrijft haar schitterende kleding en haar met sterren bezaaide zwarte mantel. Tal van Isis-symbolen uit de beschrijving van Lucius van Isis komen in de Zauberflöte, een opera die zich in Egypte afspeelt, bij de Koningin van de Nacht terug. In deze opera wordt echter eenzijdig de aandacht op haar aspect van nacht, duisternis en wraak gelegd. Isis staat ook voor de ster Sirius, die verschijnt vlak voor de dageraad. Zij staat voor donker én licht, voor de hele cyclus. Geest, rede, wijsheid en licht worden in de opera gelegd op de persoon van Sarastro, priester van de zon. Waarom heeft men het karakter van de Koningin van de Nacht in de Zauberflöte overgedramatiseerd en negatief benaderd? Waarom wordt zij beperkt en eenzijdig geïnterpreteerd, wordt de diepte van haar karakter niet onderkend? Laat de Koningin van de Nacht haar zwarte sluier afdoen en haar ware gezicht tonen.

Isis, godin en koningin in een lang vervlogen moederland

De geïntegreerde methode
Het volgende wil de Zauberflöte historisch en mythologisch duiden. Recent onderzoek van wetenschappen als archeologie, antropologie, theologie en psychologie worden in dit historisch kader geïntegreerd.
Deze historisch/mythologische duiding integreert ook de zogenaamde ‘alchemistische benadering’. Deze interpreteert de Zauberflöte als een mythologische inkleding van alchemistische principes (Tjeu van den Berk, Die Zauberflöte, een alchemistische allegorie. Zoetermeer, 2002, 121). Ondanks het feit dat deze interpretatie zeer vruchtbaar is gebleken, heeft  een eenzijdige toepassing het nadeel dat de hoofdpersonen en hun psyche van alchemistische en chemische principes worden afgeleid. Zij moeten daarmee kloppen.
Daarnaast is er de ‘klassiek-esoterische benadering’ die men in sommige maçonnieke kringen vindt. Men denkt in tegenstellingen als duister en licht, maan of koningin van de nacht en zon of koning van het licht. Men denkt in passief en actief, primitief en beschaafd en vrouwelijk en mannelijk. Men vult het schema ethisch in. Goed en kwaad en wijs en onwijs vallen nu samen met  mannelijk en vrouwelijk. (Maarten Zweers, ‘Die Zauberflöte en de Gnosis’, De Hermetische Gnosis in de loop der eeuwen. Baarn, 1992, 443-491, 446, 455).
 Dit  versimpelde dualistische schema stemt echter niet met de complexe mythologisch/historische werkelijkheid. De echtgenoot van de Koningin van de Nacht is –historisch gezien- geen zonnekoning. Door dit soort tweepolige schema’s  over de opera te leggen, doet men het vrouwelijke in de geschiedenis en in het bewustzijn van de mens tekort. Het doet bovendien afbreuk aan het centrale thema van de opera, de androgynie. Want androgynie kan pas bereikt worden bij gelijkwaardigheid en gelijke waardering van beide polen. In beide polen zijn positief en negatief aanwezig. Positief en negatief mogen er in de eenheid die Isis naar eigen zeggen is, in alle schakeringen zijn. 

De historische analyse van de mythe
Ooit is er een land van moeders geweest waar een taal der moeders gesproken is. Het is een beeldtaal, een symbooltaal. Het vrouwelijke en het mannelijke zijn dan nog in balans met elkaar, er is geen onderdrukking en slavernij. Er is voor de moeders en hun dochters gelijkwaardigheid en zelfstandigheid, in religieuze, sociale en economische zin. Het is een tijd waarin donker en licht nog als eenheid ervaren worden, als twee kanten van één medaille; de schakeringen daartussen als facetten van één diamant. Het is een tijd van verbondenheid met de aarde en haar natuur, met de bergen, de bomen, de dieren, met de mensen. Mensen weten zich dan nog verbonden met hun goden. Men kent godenparen als Isis en Osiris van Egypte, Gaia en Oeranos van Griekenland, Inanna en Dumuzi van Mesopotamië, Asjera en El van Kanaän, Asjera en Jahwe van Israël, Sophia en God in het (gnostische) oerchristendom.

Maan en sterren
Het is een tijd waarin de maan met de sterren en nog niet de zon centraal staat. De maan kent drie schijngestalten, opkomende of wassende of witte maan, volle of rode maan en afnemende of zwarte maan. God de Moeder toont zich in haar drie wisselende maangezichten. Als jonge jachtgodin in haar maagdelijke of mannelijke witte fase. Als vruchtbare zwangere, barende en zogende Moeder in haar ronde en rode fase. Als wijze grootmoeder in haar zwarte fase. Fysieke vruchtbaarheid wordt omgezet in psychische en spirituele vruchtbaarheid. Daarna begint de cyclus opnieuw in een hogere fase. Dat is evolutie, dat is ontwikkeling van het bewustzijn. Dat is menswording. De kleur zwart is zo een tussenfase tussen een oude en een nieuwe maan, oude en nieuwe schepping.
In deze tijd heeft God de Moeder een dochter die in de herfst afdaalt in de onderwereld en in de lente weer opstijgt. Moeder en dochter zijn aspecten van eenheid, van de cyclus in de natuur. De rol van de afdalende stervende en weer herrijzende dochter is in de opera aan Pamina toebedeeld.

Van dochter naar zoon
Historisch gezien wordt de rol van de dochter, de herfst- en lentegodin, later overgenomen door die van de zoon. Nu daalt híj af, sterft en komt tot nieuw leven. Deze rol wordt in de Zauberflöte door Tamino gespeeld. We komen historisch gezien in het vaderland. De mythen ondergaan een aanpassing. Maar aan het vaderland gaat het  moederland vooraf. Daar regeren koninginnen. Hun dochters volgen op. Hij die met de erfdochter trouwt mag haar partner worden, koning worden. De koningin wordt nu nog als de Moeder van het volk ervaren.

De koningin als hogepriesteres
De koningin vormt op aarde de verbindende schakel met de Godin. In Egypte met Isis, in Mesopotamië met Inanna, in Israël met Asjera en later na de ballingschap met Sophia. De koningin is tevens hogepriesteres. En haar dochter en haar dienaressen zijn priesteressen. Zij voelen aan, zij interpreteren de boodschappen uit de geestelijke wereld, die men dan nog in een verruimd bewustzijn kan ontvangen. Zij orakelen. Zij wijden in.
In hun onderaardse grotten en tempelruimten draait het om androgynie, het in balans brengen van het mannelijke en vrouwelijke in zichzelf. Men laat de afgescheidenheid van het beperkte ik-bewustzijn los en ervaart in zichzelve bewust de oorspronkelijke eenheid. Een van de manieren om innerlijke androgynie te bereiken is de hieros gamos, het heilig huwelijk tussen vrouw en man, het vrouwelijk en het mannelijke. Het is het hoofdthema van de Zauberflöte.
In het moederland kent men de mysteriën van Isis, Cybèle, Gaia en Sophia en nog niet die uit het latere vaderland van Osiris, Attis, Orpheus en Dionysus. Maar dat verandert. De aandacht verschuift van Sophia of Vrouwe Wijsheid en haar priesteressen naar ‘wijsheid’, in het vaderland een eigenschap van oude en wijze priesters. Zíj staan aan de verlichte kant van de geest en rede. 

Van moederland naar vaderland
Er is in de geschiedenis een overgang van moeder- naar vaderland geweest. Het heeft te maken met klimaatsveranderingen bij mini-ijstijden, volksverhuizingen, het temmen van het paard en het hoeden van grote kuddes. Herdersvolken snellen te paard over de steppegordel van Mongolië tot aan Hongarije en nog verder toe. Zij ontwikkelen een agressievere mentaliteit waarin de zon, de koning, de priester en de soldaat centraal staan. Er worden mannelijke waarden ontwikkeld. De koningin, haar priesteressen, de vrouwen en hun oude religie en cultuur worden ondergeschikt gemaakt en soms vernietigd. Angst voor de scheppende vermogens van het vrouwelijke zoals het baren van het fysieke kind en het baren van inzicht en wijsheid, worden omgezet in ontkenning van haar kracht en identiteit. De priesteres verwordt in de door mannen geschreven geschiedenis veelal tot heks en hoer.
Het is de partner van de Godin die zich tot God de Vader ontwikkelt. In de tempels maken priesteressen plaats voor priesters. Het opschrijven en interpreteren van heilige teksten wordt een alleenrecht van de priesters en hun zonen. De dochters onthoudt men onderwijs en opleiding. Uiterlijke kenmerken van androgynie overleven. Innerlijke androgynie wordt nauwelijks meer bereikt omdat het respect voor het vrouwelijke niet alleen op maatschappelijk maar ook op innerlijk niveau is weggevallen.

Van moeder- en vaderland naar het land van de androgyne mens
In de 21e eeuw zijn wij getuige van een grote verandering. Archeologische vondsten maken over de hele wereld duidelijk dat er vóór het vaderland een moederland bestaan heeft. Archeologen vinden in prehistorische oerlagen wereldwijd vrijwel uitsluitend vrouwelijke kunst. Antropologen vinden bij natuurvolken nieuwe gegevens over matriarchale en matrilineaire gewoonten. Theologen worden geconfronteerd met de vondsten van kleitabletten bij Oegarit. Asjera van Kanaän als moeder van goden en mensen blijkt een historisch feit. In Boven-Egypte vindt men in 1945 een kruik met 52 vroeg-christelijke boeken. Hierin is God getrouwd met Sophia, of God de Moeder. Zij is zijn gelijkwaardig evenbeeld. In sommige teksten heeft hun dochter Sophia Christus als partner. Zo spiegelen de kinderen de volmaakte androgynie van hun ouders.    
Met het opgraven van de godin, haar kunst, haar mythen en haar oude religie, graven wij een oeroud en uiterst modern ideaal op, dat van de gelijkwaardigheid van het vrouwelijke en mannelijke op uiterlijk en innerlijk gebied.
En Isis?  Door de donkere sluier heen zien wij haar veelkleurige en stralende liefdeskleed. Zij toont zich in volle glorie en lacht. Wij herkennen de Koningin van de Nacht. Wij herkennen haar als moeder. In haar worden licht en donker en goed en kwaad verenigd. Dan gaat de wereld stralen als nooit te voren.

De laatste woorden in de slotakte zijn dan op ons van toepassing:

Besieget hast du die Gefahr !
Die Isis Weihe ist nun dein!
Kommt, tretet in den Tempel ein. II.28

 
Concl: De Koningin van de Nacht in de Zauberflöte,
alwijze goddelijke Moeder